Ontstaan en geschiedenis van carnaval
Ontstaan
Waar de betekenis van het woord 'Carnaval' vandaan komt is niet zeker. In de RK kerk
wordt eraan vastgehouden dat carnaval is afgeleid van 'carne levare', dat 'opruimen of
wegnemen van het vlees' betekent. Dit heeft te maken met de vastenperiode, die begint na
afloop van de drie carnavalsdagen, ter voorbereiding op de Vastentijd. Een andere
verklaring is dat "carnaval" afstamt van het Romeinse “carrus navalis”, een verwijzing naar
de scheepswagen die in optochten voorkwam. Deze optochten waren een vermenging van
een lentefeest en een offerfeest uit de Romeinse q. Germaanse riten. De komst van de
lente was wel een (heidens) feestje waard! Door de hele geschiedenis van het carnaval is
er niet alleen een vermenging van religie en heidense gebruiken, geregeld is de te zien dat
volk en kerk tegenover elkaar staan.
Mesopotamië was een land gelegen tussen de Eufraat en de Tigris. Tegenwoordig behoort
het tot het grondgebied van Irak. Tijdens het nieuwjaarsfeest hoefden de slaven niet te
werken. Slaven waren voor een korte periode zelfs even meester zijn en hun meester
moest hen bedienen!! Aanleiding voor het omdraaien van de rollen was het Sacea- of
Zagmoekfeest. Een prachtig versierd pronkschip op wielen werd in een processie
meegevoerd naar het heiligdom van de god Mardoek. In deze kar werd iemand meegevoerd
die voor enkele dagen de rol van koning vervulde. Aan het einde van het feest was hij
gedoemd te sterven: een soort reinigingsritueel dus.
Niet alleen in zuidelijke landen maar ook in de Germaanse streken zag men in het begin
van de lente reden tot feest. Meerdere Germaanse stammen vierden het feest van Moeder-
aarde, die als een alles overheersende heidense godheid werd beschouwd. Tijdens dit
jubelfeest werd een schip op wielen in een luidruchtige stoet rondgereden. Tijdens deze
"Joelfeesten" vierden de Germanen, als de dagen weer langer werden, de (weder-)geboorte
of terugkeer van de zon. Centraal stond de vruchtbaarheidsgodin Nerthus. De beeltenis van
de god Freyr werd op een schip met wielen geplaatst en door een stoet van mensen in
diervermomming en mannen in vrouwenkleren begeleid. Aan boord van het schip werd het
huwelijk van Freyr met een priesteres voltrokken.
Van 1000 tot 1500 vonden in Frankrijk Narren- en Ezelsfeesten plaats. In deze parodieën
op de kerkelijke liturgie nam de geestelijkheid aanvankelijk de centrale rollen op zich. De
subdiakens traden op als zottenbisschop of ezelpaus. Later namen burgers hun rol over. Na
de kerkelijke leiders werden nu belangrijke burgers en edelen op de korrel genomen. In
die tijd ontstonden ook de eerste echte narrenverenigingen, met een prins, vorst, adjudant
en lijfwacht. Aan het eind van de 16e eeuw trokken de geestelijken fel van leer tegen deze
feestelijkheden. Het concilie van Trente (1545-1563) en de Contrareformatie
veroorzaakten een complete omwenteling in de opvattingen over carnaval. In Nederland
zou het feest tot in de 18e eeuw grondig versoberen.
De kerk vond al deze acties maar niks. Al in het jaar 325 bepaalde het Concilie van Nice
dat het afgelopen moest zijn met de heidense feesten rond de Germaanse goden. De Kerk
deed haar uiterste best om de heidense restanten van carnaval tegen te gaan, maar de
dreigementen en ook verboden hadden weinig effect. Paus Gregorius de Grote liet de
vastentijd, de voorbereiding op Pasen, ingaan op Aswoensdag. Het carnaval werd ervóór
geplaatst, zodat er een duidelijke scheiding ontstond tussen het heidense en het
christelijke. Het was ook de gewoonte om tijdens het carnavalsfeest de belangrijke
mensen, die het voor het zeggen hadden, te bespotten met maskers en vermommingen.
Maskers werden in de oudheid ook al gebruikt als middel om boze geesten te verjagen.
Opnieuw is er een vermenging tussen profane cultuur en religieuze belevingen.
Het feest was vooral in de late Middeleeuwen ontzettend populair, en zo ongeveer alles
was toegestaan. Vooral de geestelijkheid moest het dikwijls ontgelden. Zo werden er
bijvoorbeeld "nepmissen" opgedragen. Zogenaamde priesters voerden een parodie op de
kerkelijke eredienst op, waarbij na elk gedeelte het gehele kerkvolk een harde boer liet
horen. Zij droegen daarbij maskers en aten zwarte pudding en vette worsten op het altaar.
In plaats van wierook werden schoenzolen verbrand. Of er werden onzinnige liederen
tegen elkaar ingezongen, waarna men zich de kerk uit haastte, omdat de laatst
overgeblevene zonder pardon de broek omlaag werd getrokken. Zogenaamde priesters
hielden ook spotpreken en staken de draak met kerkelijke en godsdienstige regels. Flink
drinken en de beest uithangen, daar ging het om. Tijdens het massale drinken van de wijn
werd er een tot ezelbisschop gekozen. In het archief van de Munsterabdij van Roermond
bevindt zich een geschrift uit 1352 waarin sprake is van een ezelbroederschap.
Het woord vastenavond valt voor het eerst rond het jaar 1000. Tijdens de synode van
Benevento in 1091 wordt officieel het begin van de vasten, Aswoensdag, vastgesteld
volgens de berekeningswijze zoals we die nu nog kennen: Vastenavond valt altijd 7 weken
voor Pasen = 7 x 6 werkdagen minus de vastenavond-maandag en vastenavond-dinsdag.
Dus dat zijn dan 40 vastendagen. Pasen is de eerste zondag na de eerste volle maan die na
21 maart valt. Langzaam maar zeker gingen de kerkelijke leiders minder tekeer tegen het
vastenavondfeest. De clerus begreep dat het “gewone volk” zo nu en dan een verzetje nodig
had. Het leven was hard, de kerkelijke wetten waren streng en om verzet hiertegen te
voorkomen, kwam het vastenavondfeest als een soort uitlaapklep goed van pas.
Van echt verkleden was in eerste instantie geen sprake. Ketels, manden, tafels en
bijenkorven dienden als hoofddeksels. Dierenvellen en zakken werden gebruikt als
mantels. Messen, potten en mestvorken dienden als lawaai-instrumenten. Er werd ook wel
een vastenavondspel opgevoerd: het spel bevatte vaak een wijze les over hoe men diende te
leven.
Carnaval wordt door christenen gevierd die bij de kerk van Rome, de rooms-katholieke
kerk horen. Maar in de 16e eeuw keerden steeds meer christenen zich tégen de rooms-
katholieke kerk en sloten zich bij een protestantse kerk aan. Ze wilden geen carnaval meer
vieren, omdat ze tegen de losbandigheid waren. Als in een dorp of stad de bevolking
protestants werd of er kwam een protestants stadsbestuur, dan werd er geen carnaval meer
gevierd. Dat gebeurde ook in Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In ’s-
Hertogenbosch bijvoorbeeld werd carnaval in 1629 verboden nadat protestanten de stad op
de rooms-katholieke Spanjaarden hadden veroverd. Pas vanaf 1794, het begin van de
Franse tijd, mochten de Bosschenaren weer Carnaval vieren.
In de 19e eeuw is Carnaval één van de twee grote feesten van het jaar. Het andere feest is
de kermis. Beide feesten geven de boeren en arbeiders, die vaak grote armoede lijden, de
kans om eens níet hard te werken, maar in plaats daarvan flink uit de band te springen. Dat
doen mensen door op straat te dansen, te zingen en (veel) te drinken. Ze sparen er
maandenlang voor.
Maar soms loopt het feest uit op vechtpartijen en richten vandalen vernielingen aan. Het
stadsbestuur denkt er dan over om het feest te verbieden en soms gebeurt dat ook.
Cafébazen komen in verzet om een verbod te voorkomen of om die op te laten heffen
omdat ze zonder carnavalsfeest minder verdienen. En liefhebbers van carnaval willen het
feest niet missen. Ze richten carnavalsverenigingen op om het feest te organiseren en
zorgen ervoor dat er tijdens het feest niet wordt gevochten en niets wordt vernield. Ze
huren zalen af waar carnavalsliefhebbers zich kunnen uitleven. Carnaval begon zich te
verspreiden, dat wil zeggen steeds meer mensen gingen het vieren. Kranten speelden
hierbij een belangrijke rol.
Het Rijnlandse carnaval
Ons carnavalsfeest vindt zijn oorsprong in de Rijnlandse (gebied in Duitsland langs de
Rijn) carnaval. In Keulen werd in 1823 een eerste soort carnavalsoptocht geregeld. Deze
optocht was georganiseerd door een groep mensen die allemaal boeken en dergelijke
schreven. Goethe had een boekje geschreven over de Romeinse carnaval die hij gezien had
in 1788. Dit boekje bracht de schrijvers op verschillende ideeën en sommige personen die
in dit boek voorkwamen liepen ook mee in de optocht van Keulen. De schrijvers wilden
net zo een mooie stoet door de stad laten gaan en daarmee hun nieuwe baas (Pruisen) voor
gek zetten. Het hoogtepunt van deze optocht was de wagen van "Held Karneval".
Held Karneval wordt vanaf de tweede helft van de 19e eeuw 1870 Prins Carnaval
genoemd. Hij draagt een middeleeuws pak dat lijkt op het kostuum van de keizer van het
Habsburgse Rijk. Net zoals een echte keizer heeft Prins Carnaval een hofhouding met een
nar (die mensen moet laten lachen), een minister en een raad. Het dansmarietje was
oorspronkelijk een imitatie van de marketentster, de vrouw die met het leger moest
meereizen om ervoor te zorgen dat de soldaten genoeg te eten kregen, aanvankelijk een
mannenrol. Tegenwoordig treedt zij namens de carnavalsvereniging op bij toernooien en
zittingen.
Carnaval bleef een feest met een religieuze achtergrond. Carnaval is het feest dat gevierd
werd op vastenavond, de avond voor de veertig daagse vasten voor Pasen. De rooms-
katholieken aten tijdens de vasten geen vlees, snoep en lekkernijen. Kinderen hadden tot
halverwege de 20e eeuw een vastentrommeltje, waarin ze hun snoep bewaarden. Alleen op
zondag mochten ze daar een snoepje uit halen. De rest van het snoepgoed bewaarden de
kinderen tot na de vasten.
Op Aswoensdag begon de vasten. De gelovigen gingen naar de kerk en kregen het
traditionele askruisje op het voorhoofd. Daarbij sprak de priester de tekst uit: "Gedenk
mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren." Vastenavond (dinsdag) is dus de avond
vóór de vasten. Om die reden gingen de mensen zich op die avond flink te buiten aan drank
en lekkernijen. Tegenwoordig is de periode van carnaval uitgebreid tot vier à vijf dagen.
Het feest begint meestal al op donderdag- of vrijdagavond en duurt tot dinsdag
middernacht.
De datum waarop het carnavalsfeest gevierd wordt, houdt verband met de dag waarop
Pasen valt. Het is Pasen op de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart. De
vastenperiode duurt veertig dagen, carnaval begint dus ongeveer zes weken voor Pasen.
In de jaren zestig en zeventig, een tijdperk van grote economische groei, werd vastenavond
ontdekt door mensen die er veel geld aan wilden verdienen en er ontstond zoiets als een
carnavalsindustrie. Platenmaatschappijen overstroomden ons met carnavalskrakers, de
zelfgemaakte vastenavondkleren werden vervangen door kant en klare carnavalsconfectie
of zelfs zeer dure carnavalsmode, VVV"s en reisbureaus lokten toeristen met
carnavalsreizen, de televisie bracht Duitse carnavalszittingen in de huiskamers,
reclamestoeten trokken voor de optochten uit, praalwagens werden gehuurd en verhuurd
en ook de horeca begon driftig tal van festiviteiten te organiseren. Carnaval werd big
business! Deze verandering bracht een stortvloed van platen met dubbelzinnige teksten op.
Toen al deze liederen met behulp van de landelijke media de eigen dialectmuziek bijna
hadden verdreven, startten vanuit Limburg protesten tegen de 'Hollandse onderbroekenlol'
van André van Duin, Ria Valk of Vader Abraham. De plaatselijke dialectliedjes werden
sterk gepromoot en gingen weer de boventoon voeren.